woensdag 7 juni 2017

Eierkoker, haakpatroon uit 1866

Een eierkoker van knoop- en haakwerk, handwerk uit de negentiende eeuw

Een gehaakte eierkoker uit de negentiende eeuw


Hier de beschrijving, letterlijk overgenomen uit de Gracieuse - Geillustreerde Aglaja uit 1866, aflevering 16, p. 140, 141, 142. De eierkoker wordt gemaakt met macramé en haakwerk.


Deze eierkoker – geheel door handarbeid vervaardigd – is voor eieren bestemd, die door damp gekookt moeten worden. Ten einde ze niet met het water in aanraking te brengen, wordt de bodem van het gehele stelletje uit 7 overhaakte ringen bijstaande, door een voetstuk van riet gedragen, zooals afbeelding no.17 dit op eene verkleinde schaal te zien geeft. Men plaatst de eieren die men wenscht te koken, in de reeds genoemde ringen, doch men kan bij eene grootere hoeveelheid er ook het bovenste geknoopte net mede vullen.

Werkbeschrijving geknoopte eierkoker

Dik wit garen of dun wit rond koord, breikatoen tusschenbeide van grofte, dun riet of reepjes balein, een stuk spaansch riet 46 duim (*opm1) lang en ½ duim in doorsnede.


De ringen


Ter vervaardiging van ons model snijdt men eerst van den dunnen rieten reep 7 einden elk 14 duim lang, sluit elk hiervan, de einden ongeveer 1 duim over elkander liggende, door er een gat in te boren tot een ring, en omhaakt elken ring zeer dicht met dik wit katoen of met garen van gelijke grofte. (*2 )

Evenzo vervaardigt men een grooteren ring, echter met inlegging van twee dunne rieten reepen elk 48 duim lang. (*3)

Dan verbindt men de kleine ringen met elkander, zoodanig als afb no.18 aanwijst en ook elken ring met den buitenrand aan den grootsten ring, zoodat zij door laatstgenoemden zijn ingesloten.

Het geknoopte net


Voor het knoopwerk van het net gebruikt men 60 einden koord of garen elk 140 duim lang, neemt ze in de helft van de lengte dubbel en bevestigt telkens 2 op regelmatige afstanden op een kussen – door afb. no.16 zijn de afstanden aangegeven, - zoodat de koorden elk met 4 einden van gelijke lengte afhangen. Aan den bovenrand van het net beginnende, vormt men een vlechtwerk, waarbij men voor den 1e toer van elk bosje draden 2 draden voor inleggen neemt en om deze met de twee overige draden 4 knoopjes werkt (*4), daar men afwisselend eens met den rechter draad en eens met den linkerdraad een soort van festoneerlus om de inlegdraden werkt, zooals af. No.16 door de losse ligging van de koorden aan den nog niet afgewerkten knoop aantoont. Als men op deze wijze alle bosjes draden heeft geknoopt, dan gaat men tot den 2de toer over, waarin men de knoopen verzet en daarvoor de bosjes verdeelt, dat is: telkens twee draden (een inleg- en een knoopdraad) naar de eene, twee draden naar de andere zijde legt en na den draad dien men voor het knoopen heeft gebruikt voor in te leggen, en dien voor het inleggen nu voor het knoopen neemt. (Het spreekt vanzelf dat men gedurig in de rondte werkt.) Op deze wijze voert men 23 toeren uit, doch de 11, 13, 18de en 20e toer, zooals op afb no. 16 zichtbaar is, hebben elk 8 knoopen (vier naar elke zijde). Het net is hiermede voltooid. 

Op de lussen van de steken van den grooten ring, die den buitenrand van den bodem vormt, haakt men nu nog een toer vaste steken, waarbij men tegelijk de los hangende draden van den laatsten toer van het net mede inhaakt. Tusschen elken 2 knoopen van het vlechtwerk moeten ongeveer 6 of 7 vaste steken komen. De afsluiting van dezen buitenrand wordt door een toer puntjes op de volgende wijze gehaakt, gevormd: * 1 vaste in een steek van den vorigen toer, 1 picot (dat is 4 kettingsteken 1 vaste in den 1e hiervan), men slaat 2 steken over en herhaalt van * af tot aan het einde van den toer.


Het onderstelletje


 – voor den voet van den eierkoker (afb no.17) snijdt men van het spaansche riet twee stukken elk 9 duim, en twee elk 13 duim lang. De beide laatsten legt men, om ze de vereischt wordende welving te kunnen geven, in kokend water. Als zij hierdoor eene genoegzame weekheid hebben verkregen, dan buigt men de einden van de beide stukken riet tot op eene tusschenruimte van ongeveer 5 ½ duim door het omwinden met een bindtouw te zamen, zoodat zij kout geworden zijnde dezen vorm behouden. Elk van deze gebogen rieten stukken steekt men aan een van de verbindingspunten van buiten bij den middelsten ring door, (afb. no.18) toont het genoemde punt door 2 pijlen aan), zoodat de hooge punt van het gebogen rieten gedeelte op het verbindingspunt van de beide ringen rust, alwaar het met de laatsten door stijf omwinden van een linnen bandje waarin men een strikje legt verbonden wordt. Om de rechte en de gewelfde rieten stukken volgens afb. no.17 aan elkander te bevestigen , maakt men aan de punten waar zij elkaar raken, in elk stokje eene insnijding ongeveer ½ duim lang en even diep, dan legt men telkens 2 stokjes op elkander en omwoelt ze aldaar met smal linnen band, dat aan elk verbindingspunt tot een strikje gevormd wordt.(*5)


Twee draagkoorden


Eindelijk haalt men kruisgewijze 2 koorden elk 48 duim lang door den bovenrand van het net en bevestigt aan de eindpunten hiervan een katoenen kwast 6 duim lang.


opmerkingen 
1: duim: in die tijd was een duim gelijk aan een centimeter.
2: van riet van 14 cm lang maak je dus rondjes waar je de eieren in zet. Gemakkelijker lijkt het me om hiervoor ringetjes te kopen, doorsnede 4,5 cm.
3: hiervoor neem je dan een ring van 15 cm doorsnede.
4: dit is dus niet de weitasknoop, de normale knoop bij macramé, want ze maken afwisselend een knoop met de rechter- en met de linkerdraad, zie plaatje.
5: snap je dit niet? Het heeft bij mij ook even geduurd voor het kwartje viel. Het idee is dat je van riet een steuntje maakt onder het gemaakte net. De langere stokjes van 13 cm, die je in heet water rond gebogen hebt, steek je naast elkaar door bij de pijltjes op figuur 17 net buiten het middelste ringetje van de bodem. Zo krijg je vier wiebelige pootjes, die je aan de onderkant kruiselings met elkaar verbindt door middel van stokjes van 9 cm. Tenslotte moet je dit onderstelletje nog vastmaken aan de ringetjes, en dat doe je met een linnen bandje.


Raar model, vast geen succespatroon.

vrijdag 26 mei 2017

Meisjesbroek, breipatroon uit 1864

Een fantastisch patroon uit De Gracieuse - Geillustreerde Aglaja, 15 december 1864 3e jaargang p 3 en 4.

Wie durft?

Gebreide pantalon voor meisjes van 5 tot 7 jaar


15 lood*1 bruine of grijze, 1 lood zwarte zephirwol*2; fijne houten, tusschensoort stalen breinaalden*3; een strookje leder van 30 duim*4 lang en 3 breed; zwart elastiek band enz.

Deze warme wollen pantalon, die aan de zijde gesloten wordt, en tevens van onderen eene slobkous*4 vormt, is uitsluitend voor den winter bestemd, om bij het vermakelijke schaatsenrijden de kinderen voor de koude te beschutten. Men bezigt voor dit werk bruine of grijze en zwarte zephirwol, en breit het gedeeltelijk tamelijk los op fijne houten, gedeeltelijk stijf op tusschensoort stalen breinaalden. Het bovengedeelte van den pantalon tot aan de knie wordt in twee afzonderlijke gedeelten, die later aan elkander genaaid worden – namelijk het voor- en achtergedeelte – met fijne houten naalden, voortdurend regt heen en weder gebreid. 

Men begint van boven, zet 100 steken op en breit voor het voorste gedeelte of helft van den pantalon 76 toeren regt, zonder meerderen of minderen, verdeelt dan het getal steken in twee gelijke deelen en breit met deze 50 steken een van de beide beenen. Aan den buitensten zijrand van het been wordt voortdurend regt gebreid; om echter den vorm van het been te verkrijgen mindert men aan den binnenkant, eerst 4 maal om den tweeden toer, een steek; dan 8 maal om den vierden toer, ook een steek, zoodat na ongeveer 40 toeren het getal steken door 12 verminderd is. Er worden nu nog 4 steken aan denzelfden kant geminderd, doch op ongeveer 10 toer afstand van elkander; verder breit men tot aan den 80sten toer regt voort – van de split afgerekend – waarmede het been voltooid is. Men kant deze steken niet af, maar laat er de naald insteken; breit nu met de andere 50 steken het tweede been, op dezelfde wijze, doch natuurlijk de minderingen in tegenovergestelde rigting, ook dit been wordt niet afgekant en de steken blijven dus nog op de naald.

Voor het achterste gedeelte of tweede helft van den pantalon zet men insgelijks 100 steken op, en breit 60 toeren regt. In den volgenden toer blijven de laatste 18 steken op de naald, dan keert men het werk om breit den volgenden toer weder tot op 18 steken na af, en breit in de nu volgenden toeren, gedurig bij de middelste steken een steek van de aan beide zijden 18 teruggeblevene steken mede. Heeft men op deze wijze aan elke zijde weder 8 steken met de middelste steken vereenigd, - dan breit men nog 16 toeren over de geheele breedte, dus over al de steken, en vervaardigt dan deze beide beengedeelten even als die van het voorstuk. De beide helften naait men nu aan de buitenzijde tot op ongeveer 13 duim voor de split open latende, aan de binnenzijde geheel met een overhandsche naad aan elkander. Daarna worden de beide beenen op deze wijze gewerkt: met de stalen breinaalden breit men in de rondte 34 toeren met 2 regte en 2 averegtsche steken, en vormt hierdoor, even als van een eenvoudigen geribden kousenrand, het nauwe gedeelte boven de knie. 
Voor het nu volgende kniegedeelte, dat, zooals zigtbaar is, in de voorste helft van den pantalon moet komen, worden eerst 24 steken regt gebreid, dan keert men het werk om en breit 10 steken regt; vervolgens breit men met deze 10 steken voortdurend regt heen en weder, echter bij elken toer een steek van de teruggebleven steken mede breijende, tot er 34 steken, zijnde het getal steken van het achterste gedeelte van den pantalon zijn overgebleven. Men verdeelt laatstgenoemde steken op twee naalden, en breit nu weder over het geheele getal steken, doch niet in de rondte maar heen en weder, 6 toeren regt. Dan neemt men voor de wijde dof*5 aan de kuit nog dikker houten naalden als men voor het bovengedeelte gebruikt heeft en breit die volgens het origineele patroon dat door No. 18*6 wordt voorgesteld als volgt: aan de boven of regte zijde van den pantalon breit men voortdurend regt, keert het werk om en breit dan den volgenden toer zijnde die aan de binnenzijde afwisselend 1 steek regt en 1 steek afhalen, waar echter de draad achter moet blijven liggen; men heeft bij deze bewerking vooral in acht te nemen, dat de gebreide, als ook de afgehaalde steken, gedurig regt voer elkander komen, zoodat de los opliggende draad niet verzet wordt. Het gedeelte van de kuit heeft volgens ons origineel 40 toeren na voltooijing hiervan neemt men weder de stalen breinaalden, breit nog 30 toeren regt, in welken eersten toer 12 steken geminderd worden; vervolgens naait men van de knie af het open gedeelte te zamen, om er de eigenlijke slobkous weder in de rondte aan te breijen. Hiervoor worden eerst 30 toeren 2 regt en 2 averegt gebreid. Dan neemt men 28 steken voor den hiel en breit dezen ook regt en averegt heen en weder, die natuurlijk in het midden van het achterbeen moet genomen worden, de hiel van ons origineel is 20 toeren hoog in welken laatste de steken op de naald blijven. Nadat de kanststeken van den hiel even als aan een kous zijn opgenomen, breit men den voet evenzoo heen en weder. De 28 steken van den voet worden op dezelfde wijze voortgezet, de aan elke zijde van den hiel opgenomen steek wordt echter regt gebreid en even als bij den voet van een kous om den anderen toer de twee steken die er zich naast bevinden te zamen breit.
Na voltooijing van de minderingen breit men nog ongeveer 20 toeren in hetzelfde getal steken, en mindert in de volgende 8 toeren aan beide zijden van den voet 1 steek, dus 16 steken in het geheel; daarna worden al de kantsteken van den voet tot aan den hiel opgenomen, van welken laatsten de steken nog op de naald zijn gehouden, men breit nu rondom den onderrand van de slobkous 2 toeren regt en kant dan niet te los af. In dezen afkanttoer haakt men met bruine wol en een niet te grove haaknaald een toer kettingsteekbogen op de volgende wijze: *2 door 3 kettingsteken gescheiden vaste steken in eenen kantsteek van den voet 1 kettingsteek waarmede men 1 steek overslaat *. Herhaal van * tot *. Zooals de afbeelding aantoont, heeft dat gedeelte tusschen de kuit en de slobkous aan beide zijden eene versiering, waarvan de onderste met bruine en de bovenste met zwarte wol in de buitentoeren van dat gedeelte aldus gehaakt worden.
1ste toer. *1 vaste steek, 5 kettingsteken, waarmede men 3 steken van den gebreiden toer overslaat; in den volgenden gebreiden steek, 2 door 1 kettingsteek gescheiden stokjes dan 5 kettingsteken, waarbij men weder 3 steken overslaat *. Men herhaalt van * tot *.
2de toer. *2 vaste steken in de opening van de kettingsteken voor de stokjes van den vorigen toer; 3 halve stokjes in de opening van de kettingsteken tusschen de stokjes in; 2 vaste steken, in de kettingsteken achter de stokjes; 4 kettingsteken *. Men herhaalt van * tot *.
3de toer. *1 vaste steek in het middelste van de 3 stokjes van den vorigen toer; 5 kettingsteken, 1 vaste steek in den volgenden kettingsteekboog *. Herhaal van * tot *.

Eindelijk voorziet men den bovenrand van den pantalon, voor de ceintuur, met 3 toeren vaste steken, die men met bruine wol over elastiek band haakt. De splitten aan beide zijden worden aan de binnenzijde om stevigheid te geven met een strookje zwart linnen belegd en door knoopen en knoopsgaten of lussen vastgemaakt. Elke slobkous wordt van een lederen souspied*8 voorzien. 

Volgens de voorgeschrevene bewerking, en met behulp van een patroon, zal het niet moeijelijk wezen, een zoodanigen pantalon voor volwassenen te vervaardigen, daar het voor hen even zoo doelmatig als aangenaam is om bij het schaatsenrijden voor de koude eenigzins beschut te worden.

  1. een lood is 30 gram
  2. zephirwol is normale breiwol voor dagelijkse kleding
  3. naalddikte ongeveer 3
  4. een duim was in die tijd een centimeter, echt waar.
  5. een slobkous is een kous zonder ondervoet, die over de schoen werd gedragen om nette schoenen en kousen te beschermen tegen de modder op straat en tegen de koude
  6. 6 een dof is blijkbaar de dikke kuit, of ik heb het niet goed gelezen
  7. zie afbeelding
  8. een souspied is een leren bandje onder de voet, zoals bij een skibroek

dinsdag 9 mei 2017

Haarbandeau, handwerkpatroon uit 1866


Een haarbandeau uit de negentiende eeuw



Wat is een haarbandeau? Ik heb eerlijk gezegd geen idee. Blijkbaar een lange band die je door je lange haar vlecht. Misschien staat het wel heel mooi, maar niet met mijn kapsel.

Het patroon komt uit De Gracieuse 1866, aflevering 21 p. 180. Er wordt niet bij gebreid of gehaakt of geknoopt. Er worden eenvoudig kralen geregen aan chenille, wol met hele korte haartjes eraan. Door de haartjes blijven de kralen op hun plek. 


Werkwijze haarbandeau

Hieronder de werkbeschrijving. Je hebt een bol lichtblauwe chenille nodig en een honderdtal dikke mooie kralen. In plaats van echte chenille kun je allerlei fantasiegaren gebruiken.


Haarbandeau voor jonge dames.

Ons model is uit dikke lichtblauwe chenille zonder ijzerdraad en witte satijn kralen samengesteld en wordt naar goedvinden door het haar gewonden. Bij het vervaardigen van dezen bandeau, steekt men twee einden chenille elk 160 duim (zie aantekening 1) lang, van het midden uit beginnende, met regelmatige tusschenruimten van 2 duim te zamen door een satijnkraal, men laat de chenille echter aan de eind ongeveer 17 duim lang onverbonden en schuift op elk dezer einden 5 afzonderlijke kralen op gelijken afstand van elkaar; door de bovenste steekt men om den kwast te voltooien, wederom een stuk chenille 30 duim lang en met kralen voorzien.

Aantekeningen bij de werkbeschrijving

1: in die tijd was een duim een centimeter. Echt waar.



dinsdag 2 mei 2017

Rugscrubber, haakpatroon uit 1866


Haakpatroon uit de 19de eeuw


Deze rugscrubber of rugwrijver komt uit De Gracieuse 1866 aflevering 19 pagina 164. Een dergelijke rugwrijver of rugscrubber is nu meestal van sisal gebreid. Bij dit patroon wordt met wol gehaakt rond paktouw. Ik zou liever katoen gebruiken en dan paktouw of sisaltouw als kern.

Gehaakte wrijver voor den rug.

Ponceau (aantekening 1) breiwol, witte en zwarte zephirwol (2), bindtouw

Om zonder vreemde hulp den rug te kunnen wrijven, bevelen wij de voor ons liggende afbeelding no.5 aan. Ons model is zeer stijf met den geribden haaksteek over touw gewerkt, doch het laatste kan ook desverkiezende worden weggelaten. Voorts is de wrijver 40 duim (3) lang, 12 duim breed en aan elke dwarszijde met eene lus of handvatsel 18 duim lang voorzien.

Ter vervaardiging van ons model, zet men met kettingsteken eene lengte van 24 duim op (4), verbindt deze tot eene rondte en haakt op dit opzetsel den 1en  toer geheel met vasten (5). Aan het einde van den toer verbindt men den laatsten aan den eersten vasten. Hierna keert men met 1 kettingsteek voor den volgenden toeren.
2e toer. Deze wordt insgelijks met vasten gehaakt, waarbij gedurig in de achterste lus van elken steek van den vorige toer gestoken wordt.

Als het werk de gewenschte lengte heeft verkregen, dan versiert men het aan elke lange zijde met 2 rijen kettingsteken, die met zwarte en witte zephirwol (een steek in elke ribbe) wordt uitgevoerd, en verbindt dan de opening van elke dwarszijde, door telkens de 2 tegenover elkander liggende steken met 1 vaste te zamen te haken. Voor de lussen aan beide zijden, werkt men op eene rij kettingsteken van 36 duim lengte 6 toeren stokjes, die gedurig door 2 kettingsteken van elkander gescheiden zijn en verzet liggende op elkander moeten komen. Daarna worden de lussen volgens afbeelding aan den wrijver bevestigd.


Dit haakpatroon namaken


  1. ponceau breiwol: ponceau is een rode kleurstof. Ik heb geen idee wat hiermee bedoeld wordt.
  2. zephirwol: gewone goedkope breiwol waarmee normaal dagelijks breiwerk van werd gemaakt.
  3. duim: als ongeëvenaard kampioen in polderen, had Nederland in die tijd een compromis bedacht tussen het nieuwerwetse decimale stelsel dat Napoleon had ingevoerd en de oude vertrouwde namen zoals duim, pond en el. Het kwam erop neer dat de oude namen werden toegepast op de nieuwe maten. Een duim is in die tijd dus een centimeter lang, een pond is een kilo.
  4. ponceau of zephirwol: het staat er niet, maar blijkbaar haak je de wrijver met ponceau wol en de rand in zwart-wit met zephirwol.
  5. wel of geen bindtouw: het staat er niet, maar blijkbaar is het de bedoeling dat je deze vasten over bindtouw werkt.

zondag 30 april 2017

Slabbetje, haakpatroon uit de negentiende eeuw


Helaas ben ik vergeten op te schrijven uit welke jaargang dit patroon komt. Zodra ik het weer eens toevaliigerwijs tegen kom, geef ik het door.

No.71: gehaakt bavetje

Het in het midden heen- en weergaand in vasten gehaakt bavetje is afgewerkt met een 4 ½ cm breede, gehaakte kant, waarvan afb. no. 72 een gedeelte voorstelt. Men werkt eerst volgens den vorm fig. 49 (1 - zie aantekening 1 onderaan MM) van het supplement het middengedeelte met katoen no.5 in de onderste punt met 5 steken beginnend. Men haakt in heen- en weergaande toeren steeds 1 steek in elken steek en meerdert op zijde door kettingsteken. Aan de halsronding worden de toeren door staanlaten van steken verkort. Ten laatste wordt de rand van de halsronding met een toer vasten en hierna met een picottoer omgeven. Hiervoor steeds afwisselend 1 vaste om den 2de volgenden vaste en 4 kettingsteken, 1 vaste in den 1e kettingsteek. De kant welke aan den rand van het middengedeelte opgenaaid is wordt met garen no.60 van den onderrand uit in heengaande toeren als volgt gehaakt.
  • 1e toer (aantekening 2): 1 rij van 10 kettingsteken, 17 vasten om den rij en * 1 halvevaste in de losse voor de 1e  vaste, 30 kettingsteken aan den 17de kettingsteek verbinden, daarbij het werk gedraaid, 21 vasten om den kettingoog, daarbij na den 10e vaste den 5de steek van den vorige rij verbinden, 1 halvevaste in den halvevaste ** 15 kettingsteken, den 2e van deze kettingsteken verbinden, daarbij het werk gedraaid, 21 vasten, om het kettingoog, 1 halvevaste in den afzonderlijken kettingsteek, van ** af herhalen, 27 kettingsteken, den 17dekettingsteek verbinden, daarbij het werk gedraaid, 17 vasten om het kettingoog en daarbij na den 12e vaste den 10de van de laatste vasten van den vorige toer verbinden, van * steeds herhalen ( aantekening 3).
  • 2e toer: 17 vasten om elken kettingboog, voor de voorste punt tweemaal na elkander slechts 8 vasten.
  • 3e toer: 1 stokjes in den 3e volgenden vasten, * tweemaal afwisselend 2 kettingsteken en 1 stokje in den 3e volgenden steek, 5 ketttingsteken, 1 stokje in den 3 volgende steek, 2 kettingsteken, 2 te zamen afgewerkte stokjes in den 3e volgenden steek van dezen boog en in den 3e steek van den volgenden boog. Van * steeds herhalen; voor de voorste punt na het te zamen afgewerkt stokje, 1 kettingsteek, 2 te zamen afgewerkte stokjes als aan de  insnijdingen, 1 kettingsteek en 2 zulke stokjes aan de insnijding,.
  • 4e en 5e toer: als de 3e toer, daarbij volgens afbeelding no. 72 steeds  het 1e stokje in het 2e stokje van den vorigen toer en de voorste punt afwijkend.
  • 6e toer: 2-maal na elkander 2 vasten om de naastbijzijnde 2 kettingsteken en 1 vaste om het volgende stokje, dan * 7 vasten om de 5 kettingsteken, 1 vaste om het naastbijzijnde stokje, 2 vasten om de volgende 2 kettingsteken, 1 vaste om het volgende stokje, 1 vaste om den naastbijzijnde kettingsteken, 2 te zamen afgewerkte vasten om den volgende en daarop volgende kettingsteken, 1 vaste om den volgende kettingsteek, 1 vaste om het volgende stokje, 3 vaste om de naastbijzijnde 3 kettingsteken, van * steeds herhalen, aan de punt slechts 2 te zamen afgewerkte stokjes.
  • 7e toer: 2 drievoudige stokjes in het begin, ** 7 kettingsteken, 1 stokje in den 3e vaste, van den middenboog, 2 kettingsteken, 1 stokje in den volgende vaste, van ** steeds herhalen; voor de punt eenmaal de 7 kettingsteken weggelaten.
  • 8e toer: 1 vaste in elken steek, aan de punt 2 stokjes overslaan.
  • 9e toer: afwisselend 1 drievoudig stokjes in den naastbijzijnde steek en 2 steken met 2 kettingsteken overslaan, aan de punt 2 te zamen afgewerkte stokjes en eenige steken overslaan.
  • 10e toer: afwisselend 1 vaste om den naastbijzijnde kettingsteek en 1 picot (5 kettingstekeken, 1 vaste in den 1e kettingsteek), aan de punt volgens de afbeelding 2 te zaam afgewerkte vasten.
Aantekeningen:
1: Teken de vorm van het gladde middendeel na van de afbeelding. De rand eromheen is 4 1/2 cm breed. 
2. De eerste toer van de rand zijn de klaverblaadjes met de bogen daartussen. De klaverblaadjes bestaan uit drie kettingogen, aan elkaar verbonden door een kettingboog.
3. Het lastige van dit patroon vind ik dat de rand van buiten naar binnen gehaakt wordt, en je dus heel precies moet inschatten hoe lang het begin, de klaverblaadjes, moeten worden.

maandag 24 april 2017

Babymutsje, haakpatroon uit 1900




Het aardig, met lichtblauwe haakzijde in eenvoudige stokjes-toeren gewerkt mutsje is, zooals de afbeelding aantoont, in rijen met smal, lichtblauw moirelint doorregen en met een strik van hetzelfde lint versierd, dat ook voor het vastmaken dient. Onder den voorrand, welke met een gehaakten bogentoer afsluit, is een smalle tulen ruche gezet; buitendien is het mutsje met dunne lichtblauwe zijde gevoerd. 

Men begint van het achterste midden uit en haakt tamelijk los als volgt: 
  • 1.toer: Om 5 tot een ronding gesloten kettingsteken 3 kettingsteken en 13 stokjes en hierbij voor het afwerken van het laatste stokje, 1 steek uit de 3. van de eerste 3 kettingsteken opgenomen en met dezen steken het stokje afgewerkt. 
  • 2.toer: 3 kettingsteken (elke toer begint op deze wijze, wij vermelden dit niet meer), 2 stokjes in elk stokje; aan het einde, als aan het einde van elken toer, gelijk in den 1.toer. 
  • 3.toer: 1 stokje in elk stokje en de onderste lus van het stokje ongeveer 1 cm lang uitgehaald. 
  • 4. en 5.toer: Steeds afwisselend 2 stokjes in het naastbijzijnde stokje, 1 stokje in het volgend stokje 
  • 6.toer: Als den 3.toer. 
  • 7.toer: Steeds afwisselend 2 stokjes in het naastbijzijnd 2 stokjes, 2 stokjes in het volgend stokje 
  • 8.toer: Steeds afwisselend 3 stokjes in de naastbijzijnde 3 stokjes, 2 stokjes in het volgend stokje 
  • 9.toer: Als den 3.toer. 
  • 10.toer: Steeds afwisselend 4 stokjes in de naastbijzijnde 4 stokjes, 2 stokjes in het volgend stokje 
  • 11.toer: Als den vorigen toer, doch in plaats van 4 stokjes, 6 stokjes. Voor het hoofdgedeelte op de naastbijzijnde 106 stokjes heen- en teruggaand. 
  • 12. tot 25.toer: 1 stokje om elk stokje en hierbij de stokjes van den 12., dan van elken derden volgenden toer lang uitgehaald. 
Men werkt in aansluiting aan den laatsten toer om de dwarsranden van het voorste hoofdgedeelte en om de nog onbewerkte stokjes van den 11.toer 4 kettingsteken, dan steeds afwisselend 1 stokje, om den naastbijzijnden steek, 1 kettingsteek, een vereischte tusschenruimte overslaan; hierna het werk omkeren, om den onderrand steeds afwisselend 1 picot (dat zijn 5 kettingsteken en 1 halvevaste in den 1.kettingsteek) en 1 vaste om het naastbijzijnde stokje, dan om den voorrand * 6 stokjes om den 2. volgenden steek, 1 stokje overslaan, 1 vaste om het naastbijzijnde stokje, van * herhalen. 

Door de lang uitgehaalde stokjes-toeren, alsmede door den onderrand leidt men dan het lint en voorziet het mutsje van de ruche en van de voering.

Gracieuse, 1900, aflevering 24, pagina 190

donderdag 20 april 2017

Kinderwant, breipatroon uit 1866

nodig: 1 1/2 lood (1-zie aantekening onderaan)  witte, 1/2 lood blauwe zephirwol (2), stalen breinaalden tusschenbeide van grofte, 1 knoophoutje van 3 duim (3) in omvang. (voor ouderwetse maten en termen, zie aantekeningen onderaan)

Dit fraaie handschoentje is van witte wol geheel recht gebreid; de manchette die hiermede in verband gewerkt wordt bestaat uit een open fond (4), waarim men over genoemd houtje lussen van blauwe en witte wol knoopt. De boven- en onderrand van de manchette wordt met een toer gaatjes afgesloten, waar een blauw koord, aan elk eind met kwastjes voorzien wordt doorgeregen. Men begint den handschoen met de witte wol aan den onderrand van de manchette met een opzetsel van 42 steken, sluit deze tot eene ronding en werkt daarop 3 toeren recht, 1 toer averecht. - 5. toer (5). Afwisselend omslag, minderen. (1. rij gaatjes.) (6) 6. toer. Averecht. - 7-13. toer. (7) Recht. - 15-23. toer. Afwisselend 1 rij gaatjes 9als de 5. toer), 1 toer recht. - 24-29. toer. Recht. - 30. toer. Averecht. - 31. toer. Als de 5. toer (gaatjes). - 32. toer. Averecht.

Hiermede is de open fond van de manchette voltooid. Men werkt eerst voor den handschoen 6 toeren in hetzelfde getal steken, dan begint men de klink (8) voor den duim met den 7. toer en een getal steken naar welgevallen (9). Aan beide zijden van deze steken meerdert men telkens 1 steek; na elke meerdering, die op dezelfde plaats in de volgende 14 toeren nog 7 maal worden herhaald, wordt gedurig 1 toer recht gebreid; er moeten dus na voltooiing van den laatsten van deze toeren 17 steken tusschen de meerderingen liggen. Van daar af breit men den duim op zich zelf, terwijl men de genoemde 17 steken op twee naalden verdeelt. Op eene 3. naald zet men op nieuw 10 steken (10) op, sluit deze 27 steken tot eene ronding en breit dan 5 toeren, waarbij men aan het begin en einde van de 10 opgezette steken telkens een mindert, zoodat hierdoor eene klink gevormd wordt, die met den 5. toer voltooid is. De 6 volgende toeren worden in een onveranderd getal steken gebreid, dan breit men den duim spits toe, daar men na elken 5. steek mindert, na elke mindering toer 1 toer recht breit.

Met de overige steken die op de naalden gebleven zijn werkt men het gedeelte voor de hand in de rondte verder voort, doch men neemt de kantlussen van de 10 op nieuw opgezette steken voor de klink van den duim mede op de naalden. In de 5 volgende toeren wordt tot vorming van de klink weder telkens aan het begin en einde van de 10 opgenomen steken 1 steek geminder, dan volgen er 10 toeren in een onveranderd getal steken. Na den laatsten van deze toeren begint het afminderen voor de hand, hetgeen door aan beide zijden af te minderen wordt verkregen, nadat men vooraf de voorhanden zijnde 42 steken verdeeld heeft, namelijk 19 steken voor de buitenste en 19 steken voor de binnenste vlakte van de hand. De 2 steken die tusschen elke zijn ingebleven scheiden de minderingen af. Dit heeft gedurig om den anderen toer, telkens voor en na de 2 genoemde steken plaats. Als het gedeelte voor de hand op deze wijze is afgeminderd, dan versiert men het op de bovenste vlakte met kruissteken van blauwe wol en voorziet den open fond van de manchette met het hierboven genoemde garnituur van lussen, daar men met de blauwe en witte wol afwisselend in elken omslagdraad van eene rij gaatjes, met festonneersteken over genoemd houtje 6 lussen werkt.

bron: De Gracieuse 17 december 1866, 5de jaargang, p. 10/11

Aantekeningen:

  1. lood: 30 gram.
  2. zephirwol: zachte dunne wol, te vervangen door dunne merinowol of alpacawol
  3. duim: 1 centimeter
  4. fond: open netwerk voor borduren of lussenknoopwerk kan worden gebruikt
  5. 5. toer: een punt na een getal geeft een rangtelwoord aan: vijfde toer
  6. de vijfde toer is een gaatjestoer: omslag, 2 steken samenbreien etc
  7. de 14de toer ontbreekt in de beschrijving. Het lijkt dat hier de eerste toer gaatjes gebreid moet worden van het fond.
  8. klink: driehoekig inzetsel
  9. naar welgevallen: blijkbaar konden de lezeressen goed breien en hadden ze geen gedetaileerde beschrijving nodig. De beschrijving is te volgen als de klink als volgt gebreid wordt: aan de kant van de duim: meerder 1 steek naar links (met de linkernaald de lus onder de netgebreide steek opnemen, breien), brei 1 steek, meerder 1 steek naar rechts (met de rechternaald de lus onder de linkernaald opnemen, breien). volgende ronde breien zonder meerderen. Meerdering 7 keer recht boven elkaar herhalen. Zo krijg je 17 steken tussen de meerderingen voor de duim.
  10. Deze 10 steken liggen tussen de duim en de rest van de hand, en vormen een tweede klink.