maandag 24 april 2017

Babymutsje, haakpatroon uit 1900




Het aardig, met lichtblauwe haakzijde in eenvoudige stokjes-toeren gewerkt mutsje is, zooals de afbeelding aantoont, in rijen met smal, lichtblauw moirelint doorregen en met een strik van hetzelfde lint versierd, dat ook voor het vastmaken dient. Onder den voorrand, welke met een gehaakten bogentoer afsluit, is een smalle tulen ruche gezet; buitendien is het mutsje met dunne lichtblauwe zijde gevoerd. 

Men begint van het achterste midden uit en haakt tamelijk los als volgt: 
  • 1.toer: Om 5 tot een ronding gesloten kettingsteken 3 kettingsteken en 13 stokjes en hierbij voor het afwerken van het laatste stokje, 1 steek uit de 3. van de eerste 3 kettingsteken opgenomen en met dezen steken het stokje afgewerkt. 
  • 2.toer: 3 kettingsteken (elke toer begint op deze wijze, wij vermelden dit niet meer), 2 stokjes in elk stokje; aan het einde, als aan het einde van elken toer, gelijk in den 1.toer. 
  • 3.toer: 1 stokje in elk stokje en de onderste lus van het stokje ongeveer 1 cm lang uitgehaald. 
  • 4. en 5.toer: Steeds afwisselend 2 stokjes in het naastbijzijnde stokje, 1 stokje in het volgend stokje 
  • 6.toer: Als den 3.toer. 
  • 7.toer: Steeds afwisselend 2 stokjes in het naastbijzijnd 2 stokjes, 2 stokjes in het volgend stokje 
  • 8.toer: Steeds afwisselend 3 stokjes in de naastbijzijnde 3 stokjes, 2 stokjes in het volgend stokje 
  • 9.toer: Als den 3.toer. 
  • 10.toer: Steeds afwisselend 4 stokjes in de naastbijzijnde 4 stokjes, 2 stokjes in het volgend stokje 
  • 11.toer: Als den vorigen toer, doch in plaats van 4 stokjes, 6 stokjes. Voor het hoofdgedeelte op de naastbijzijnde 106 stokjes heen- en teruggaand. 
  • 12. tot 25.toer: 1 stokje om elk stokje en hierbij de stokjes van den 12., dan van elken derden volgenden toer lang uitgehaald. 
Men werkt in aansluiting aan den laatsten toer om de dwarsranden van het voorste hoofdgedeelte en om de nog onbewerkte stokjes van den 11.toer 4 kettingsteken, dan steeds afwisselend 1 stokje, om den naastbijzijnden steek, 1 kettingsteek, een vereischte tusschenruimte overslaan; hierna het werk omkeren, om den onderrand steeds afwisselend 1 picot (dat zijn 5 kettingsteken en 1 halvevaste in den 1.kettingsteek) en 1 vaste om het naastbijzijnde stokje, dan om den voorrand * 6 stokjes om den 2. volgenden steek, 1 stokje overslaan, 1 vaste om het naastbijzijnde stokje, van * herhalen. 

Door de lang uitgehaalde stokjes-toeren, alsmede door den onderrand leidt men dan het lint en voorziet het mutsje van de ruche en van de voering.

Gracieuse, 1900, aflevering 24, pagina 190

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen