woensdag 7 juni 2017

Eierkoker, haakpatroon uit 1866

Een eierkoker van knoop- en haakwerk, handwerk uit de negentiende eeuw

Een gehaakte eierkoker uit de negentiende eeuw


Hier de beschrijving, letterlijk overgenomen uit de Gracieuse - Geillustreerde Aglaja uit 1866, aflevering 16, p. 140, 141, 142. De eierkoker wordt gemaakt met macramé en haakwerk.


Deze eierkoker – geheel door handarbeid vervaardigd – is voor eieren bestemd, die door damp gekookt moeten worden. Ten einde ze niet met het water in aanraking te brengen, wordt de bodem van het gehele stelletje uit 7 overhaakte ringen bijstaande, door een voetstuk van riet gedragen, zooals afbeelding no.17 dit op eene verkleinde schaal te zien geeft. Men plaatst de eieren die men wenscht te koken, in de reeds genoemde ringen, doch men kan bij eene grootere hoeveelheid er ook het bovenste geknoopte net mede vullen.

Werkbeschrijving geknoopte eierkoker

Dik wit garen of dun wit rond koord, breikatoen tusschenbeide van grofte, dun riet of reepjes balein, een stuk spaansch riet 46 duim (*opm1) lang en ½ duim in doorsnede.


De ringen


Ter vervaardiging van ons model snijdt men eerst van den dunnen rieten reep 7 einden elk 14 duim lang, sluit elk hiervan, de einden ongeveer 1 duim over elkander liggende, door er een gat in te boren tot een ring, en omhaakt elken ring zeer dicht met dik wit katoen of met garen van gelijke grofte. (*2 )

Evenzo vervaardigt men een grooteren ring, echter met inlegging van twee dunne rieten reepen elk 48 duim lang. (*3)

Dan verbindt men de kleine ringen met elkander, zoodanig als afb no.18 aanwijst en ook elken ring met den buitenrand aan den grootsten ring, zoodat zij door laatstgenoemden zijn ingesloten.

Het geknoopte net


Voor het knoopwerk van het net gebruikt men 60 einden koord of garen elk 140 duim lang, neemt ze in de helft van de lengte dubbel en bevestigt telkens 2 op regelmatige afstanden op een kussen – door afb. no.16 zijn de afstanden aangegeven, - zoodat de koorden elk met 4 einden van gelijke lengte afhangen. Aan den bovenrand van het net beginnende, vormt men een vlechtwerk, waarbij men voor den 1e toer van elk bosje draden 2 draden voor inleggen neemt en om deze met de twee overige draden 4 knoopjes werkt (*4), daar men afwisselend eens met den rechter draad en eens met den linkerdraad een soort van festoneerlus om de inlegdraden werkt, zooals af. No.16 door de losse ligging van de koorden aan den nog niet afgewerkten knoop aantoont. Als men op deze wijze alle bosjes draden heeft geknoopt, dan gaat men tot den 2de toer over, waarin men de knoopen verzet en daarvoor de bosjes verdeelt, dat is: telkens twee draden (een inleg- en een knoopdraad) naar de eene, twee draden naar de andere zijde legt en na den draad dien men voor het knoopen heeft gebruikt voor in te leggen, en dien voor het inleggen nu voor het knoopen neemt. (Het spreekt vanzelf dat men gedurig in de rondte werkt.) Op deze wijze voert men 23 toeren uit, doch de 11, 13, 18de en 20e toer, zooals op afb no. 16 zichtbaar is, hebben elk 8 knoopen (vier naar elke zijde). Het net is hiermede voltooid. 

Op de lussen van de steken van den grooten ring, die den buitenrand van den bodem vormt, haakt men nu nog een toer vaste steken, waarbij men tegelijk de los hangende draden van den laatsten toer van het net mede inhaakt. Tusschen elken 2 knoopen van het vlechtwerk moeten ongeveer 6 of 7 vaste steken komen. De afsluiting van dezen buitenrand wordt door een toer puntjes op de volgende wijze gehaakt, gevormd: * 1 vaste in een steek van den vorigen toer, 1 picot (dat is 4 kettingsteken 1 vaste in den 1e hiervan), men slaat 2 steken over en herhaalt van * af tot aan het einde van den toer.


Het onderstelletje


 – voor den voet van den eierkoker (afb no.17) snijdt men van het spaansche riet twee stukken elk 9 duim, en twee elk 13 duim lang. De beide laatsten legt men, om ze de vereischt wordende welving te kunnen geven, in kokend water. Als zij hierdoor eene genoegzame weekheid hebben verkregen, dan buigt men de einden van de beide stukken riet tot op eene tusschenruimte van ongeveer 5 ½ duim door het omwinden met een bindtouw te zamen, zoodat zij kout geworden zijnde dezen vorm behouden. Elk van deze gebogen rieten stukken steekt men aan een van de verbindingspunten van buiten bij den middelsten ring door, (afb. no.18) toont het genoemde punt door 2 pijlen aan), zoodat de hooge punt van het gebogen rieten gedeelte op het verbindingspunt van de beide ringen rust, alwaar het met de laatsten door stijf omwinden van een linnen bandje waarin men een strikje legt verbonden wordt. Om de rechte en de gewelfde rieten stukken volgens afb. no.17 aan elkander te bevestigen , maakt men aan de punten waar zij elkaar raken, in elk stokje eene insnijding ongeveer ½ duim lang en even diep, dan legt men telkens 2 stokjes op elkander en omwoelt ze aldaar met smal linnen band, dat aan elk verbindingspunt tot een strikje gevormd wordt.(*5)


Twee draagkoorden


Eindelijk haalt men kruisgewijze 2 koorden elk 48 duim lang door den bovenrand van het net en bevestigt aan de eindpunten hiervan een katoenen kwast 6 duim lang.


opmerkingen 
1: duim: in die tijd was een duim gelijk aan een centimeter.
2: van riet van 14 cm lang maak je dus rondjes waar je de eieren in zet. Gemakkelijker lijkt het me om hiervoor ringetjes te kopen, doorsnede 4,5 cm.
3: hiervoor neem je dan een ring van 15 cm doorsnede.
4: dit is dus niet de weitasknoop, de normale knoop bij macramé, want ze maken afwisselend een knoop met de rechter- en met de linkerdraad, zie plaatje.
5: snap je dit niet? Het heeft bij mij ook even geduurd voor het kwartje viel. Het idee is dat je van riet een steuntje maakt onder het gemaakte net. De langere stokjes van 13 cm, die je in heet water rond gebogen hebt, steek je naast elkaar door bij de pijltjes op figuur 17 net buiten het middelste ringetje van de bodem. Zo krijg je vier wiebelige pootjes, die je aan de onderkant kruiselings met elkaar verbindt door middel van stokjes van 9 cm. Tenslotte moet je dit onderstelletje nog vastmaken aan de ringetjes, en dat doe je met een linnen bandje.


Raar model, vast geen succespatroon.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen